Herhaling thema 5

1234567891011121314151617181920212223
Across
  1. 2. Als iets beter of minder moeilijk is dan je eerst dacht.
  2. 4. Nog een keer doen of beginnen nadat je het al eerder hebt gedaan.
  3. 6. Met cijfers werken, zoals optellen (+), aftrekken (-), delen (:) en vermenigvuldigen (x).
  4. 7. Kijken of iets goed is of klopt.
  5. 9. Steeds opnieuw over hetzelfde klagen of iets vragen, ook als iemand al nee heeft gezegd.
  6. 11. Iemand die veel doet, veel beweegt of vaak meedoet.
  7. 12. Goed nadenken over iets en ook kijken wat niet goed is.
  8. 13. Les op school waarin je sport en beweegt, bijvoorbeeld rennen, springen of met een bal spelen.
  9. 15. Goed genoeg, bijvoorbeeld een cijfer dat hoog genoeg is om te slagen.
  10. 16. Iets wat iemand heeft gedaan of bereikt, bijvoorbeeld een goed resultaat op school of bij sport.
  11. 18. Opdrachten van school die je thuis moet maken.
  12. 19. Alles wat te maken heeft met leren op school, met leerlingen, docenten en lessen.
  13. 21. Iemand die een vliegtuig bestuurt en mensen door de lucht vervoert.
  14. 22. De reden of de wil om iets te doen of te leren.
  15. 23. Iemand die op school staat en leerlingen iets leert, zoals taal, rekenen of geschiedenis.
Down
  1. 1. Weten wat iets betekent of wat iemand bedoelt.
  2. 3. Het werk dat iemand doet om geld te verdienen. Bijvoorbeeld dokter, bakker of kapper.
  3. 5. Niet goed genoeg, bijvoorbeeld een te laag cijfer op school.
  4. 8. Kijken hoe goed iets of iemand is en daarna een mening of een cijfer geven.
  5. 10. Niet heel goed, maar ook niet heel slecht.
  6. 14. Het punt of de stap waarop je zit bij iets dat je leert, bijvoorbeeld beginner of gevorderd.
  7. 17. Op hetzelfde moment dat iets anders gebeurt.
  8. 20. Iemand die goed met andere mensen kan omgaan en graag met anderen praat of samenwerkt.