Het sonnet

12345678910111213141516171819202122
Across
  1. 5. = Leefde in de 14de eeuw en was de grondlegger van de Italiaanse renaissance.
  2. 9. = 3 versregels
  3. 11. = Klankovereenkomst van twee beklemtoonde eenlettergrepige woorden of woorddelen op de beginmedeklinker na.
  4. 14. = Een vorm van beeldspraak waarbij levenloze zaken menselijke eigenschappen krijgen.
  5. 15. = Synoniem voor tegenstelling.
  6. 17. = Bij deze beeldspraak wordt twee keer hetzelfde woord of worden vergelijkbare woorden gebruikt om het ritmische beter te laten klinken.
  7. 20. = Rijmschema: ABBA ABBA CDC DCD
  8. 22. = Een inhoudelijke wending in een gedicht die meestal staat tussen een octaaf en sextet.
Down
  1. 1. = Periode waarin de Nederlandse cultuur glansde en schitterde op wereldniveau met schilders, architecten, componisten, dichters, uitvinders en wetenschappers.
  2. 2. = Synoniem voor goddelijke verhouding, een verhouding die intrinsieke schoonheid bezit.
  3. 3. = Klankovereenkomst van twee woorden of woorddelen (op de beginletter na) die elk bestaan uit één beklemtoonde plus één onbeklemtoonde lettergreep.
  4. 4. = 4 versregels
  5. 6. = Mens met lichamelijke en geestelijke vermogens staat centraal.
  6. 7. = Afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen.
  7. 8. = Een stroming van 1500 tot 1700 en betekent wedergeboorte van de klassieke oudheid.
  8. 10. = Heeft geen anonieme spreekbuis van gemeenschap, het is persoonlijke kunst.
  9. 12. = Tweeledige versvoet (onbeklemtoond en beklemtoond).
  10. 13. = Synoniem voor zesvoetige jambe.
  11. 16. = Naam van de rederijkerskamer waar Pieter Corneliszoon Hooft lid van was in Amsterdam.
  12. 18. = 8 versregels
  13. 19. = Educatieve reis die Pieter Corneliszoon Hooft maakte als voorbereiding op zijn handelscarrière.
  14. 21. = 6 versregels