Het vak Nederlands

1234567891011121314
Across
  1. 3. We noemen een ww ..... als het in de zin de tijd aangeeft en enkelvoud of meervoud.
  2. 4. Een zin met een ..... gezegde heeft een gezegde waarin alleen ww staan
  3. 5. Het zinsdeel waar je 'aan' of 'voor' kunt voor zetten is een ...... voorwerp.
  4. 6. 'Een' is een ....... lidwoord.
  5. 10. 'Zich' is altijd een ..... vn.
  6. 13. Een ander woord voor het hele ww is .....
Down
  1. 1. Wat voor ww is 'hebben' in deze zin:'Hebben zij dat gemaakt?'
  2. 2. 'Ik heb hem dat gisteren nog gevraagd.'In deze zin is 'dat' een .....voorwerp
  3. 7. Het woord 'niet' is een .......woord.
  4. 8. 'Zaterdag spelen we tegen een zwak team.'Welk woord is hier een bn?
  5. 9. Belgiƫ is een ....... naamwoord.
  6. 11. In de zin: 'Hij heeft zijn zusje niet verraden.'is verraden een ... deelwoord.
  7. 12. Wat is het O van de zin:'Dat boek heeft Marian van de leraar geleend.'
  8. 14. In de zin 'Hij is leraar in Opwijk.'is het werkwoordelijk gedeelte van het NWG .....