Inoefenen woordenschat Thema 1C KUNST - MB

12345678910111213141516171819202122232425
Across
  1. 2. Iets wat van jou is, hebben.
  2. 5. Om die reden.
  3. 8. Tussen twee dingen.
  4. 9. Wie of wat je kent.
  5. 10. Anders dan gewoon, speciaal. Vaak negatief gebruikt.
  6. 15. Iets weghalen.
  7. 16. Ook al is het zo dat.
  8. 19. De manier waarop je kijkt.
  9. 20. daarna
  10. 22. Iets repareren.
  11. 24. Wat uit de zon of uit een lamp straalt.
  12. 25. Zacht kwastje om te tekenen of te schilderen.
Down
  1. 1. Verzameling van voorwerpen om bekeken te worden.
  2. 3. Hoe het vroeger eigenlijk was.
  3. 4. Ergens een tekening of plaatje van maken.
  4. 6. Aan een punt boven de grond vastmaken.
  5. 7. Niet goed zichtbaar, niet goed herkenbaar.
  6. 11. Iemand die schilderijen maakt voor zijn beroep.
  7. 12. Iets wat gebouwd is.
  8. 13. Ongewoon en indrukwekkend.
  9. 14. Iets of iemand die bekend is.
  10. 17. Een foto of schilderij van een persoon.
  11. 18. Goed naar iets of iemand kijken.
  12. 21. Aandacht trekken vanwege iets bijzonders.
  13. 23. De randen die om een foto of schilderij heen zitten.