Across
- 4. Een apparaat dat snel water kookt.
- 6. Iemand die leiding geeft in een bedrijf.
- 7. "Je bent goed voor deze taak. Je bent __________."
- 8. Een apparaat om eten heel koud te bewaren.
- 13. Energie die van de zon komt.
- 14. Deze apparaten verbruiken veel __________ als ze aan staan.
- 15. Ze zoeken iemand die __________ is en op verschillende tijden kan werken.
- 16. "Het apparaat is __________. Kan jij het repareren?"
- 17. Iemand raad of hulp geven bij een keuze.
- 19. Samen praten om afspraken te maken.
- 23. Het laagste bedrag dat je mag verdienen.
- 24. Na het sporten neem ik een __________.
- 25. Het licht doet het niet. We hebben geen elektriciteit. We hebben een __________.
Down
- 1. De __________ van dit product is erg goed. Het gaat niet snel kapot.
- 2. Morgen heeft hij een __________ voor een nieuwe baan.
- 3. "Het werk is __________. Het is elke dag anders."
- 5. De collega’s zijn erg __________ en helpen je graag.
- 6. Elke maand.
- 9. Iets stoppen of uitschakelen, zoals de televisie.
- 10. Hij vindt zijn werk erg __________ en leert elke dag iets nieuws.
- 11. Een organisatie waar mensen werken.
- 12. Het is __________ om elke dag een beetje te bewegen voor je gezondheid. Dat is slim.
- 18. Een plek in huis waar alle energiemeters zitten.
- 20. We moeten __________ besparen door het licht uit te doen.
- 21. Niet schoon, bijvoorbeeld vieze kleren of oppervlakken.
- 22. De __________ komt langs om de kapotte wasmachine te repareren.
