Across
- 1. Het is geel en krom en je kan het opeten.
- 3. Het is rond en warm en je kan het niet aanraken.
- 4. Hij bestaat niet echt en hij vecht met een draak en zit op een paard.
- 5. Het blinkt en het is van goud en je kan het aan je hand doen.
- 7. Ze danst graag en heeft een kroontje.
- 10. Zij is de baas op onze school.
- 11. Het is een sport en je gebruikt er een bal voor.
- 14. Het is een vechtsport.
- 16. Het is een dier dat zichzelf kan wassen en is heel groot.
- 17. Ik ben een ding en er zit papier in mij met veel tekst.
Down
- 2. Het is fruit en het is rood.
- 3. Het is een sport en je wordt er nat van.
- 6. Dit dier kan klimmen en stappen en slaat op zijn borst.
- 7. Het is een vogel en zit in een kooi.
- 8. Door de sneeuw wordt hij groter en groter en je hebt er ook een wortel voor nodig.
- 9. Het is de naam van een juf, ze is slim, ze is mooi en ze heeft een bril.
- 12. Het heeft teugels aan, je kan erop zitten en je kan ermee draven.
- 13. Dit dier kan heel hard brullen en het is meestal bruin.
- 15. Het groeit in het gras en ruikt lekker.
