Across
- 2. De minister heeft zijn eed voor het parlement (zweren - VD).
- 5. De leeuw heeft zijn prooi (verslinden - VD).
- 6. (Bereiden - imperatief) je maar goed voor op je examens!
- 8. Het heeft deze nacht wel heel erg (vriezen - VD).
- 9. Ze (zeggen - OVT) dat het genoeg was!
- 10. (Vinden- OTT)) jij dat een prachtig boek?
Down
- 1. Hij (beantwoorden - OVT) de vraag.
- 3. (Kruipen - OVD) kwam hij over de finish.
- 4. De boot (varen - OVT) op het water.
- 5. De buren zijn nog maar net (verhuizen - VD).
- 7. (Verraden - imperatief) mij niet!
- 8. Mijn broertje (graven - OVT) een diepe kuil op het strand.
