Across
- 2. Dit digitale spel heb je vorige week gespeeld
- 5. Wat je van een computer kunt aanraken, bijvoorbeeld de harde schijf en het scherm.
- 6. De leraar die je les geeft vandaag
- 8. De programma's die op een computer staan
Down
- 1. Met dit programma schrijf je vandaag de code
- 3. Hiermee kun je je eigen game maken
- 4. Dit zijn de mensen die de code schrijven
- 7. Met deze robot ga je vandaag werken
