Across
- 1. ver
- 2. het zwembad
- 3. de minuut
- 6. mevrouw
- 7. de stad
- 9. de trein
- 13. hoi
- 14. de school
- 15. hoe?
- 17. ik woon (wonen)
- 19. groot
- 20. oud
- 24. de taart
- 25. het gezin, de familie
- 27. de zee
- 29. het meisje/de dochter
- 31. het kind
- 32. lopend
- 35. goed
- 37. leuk
- 38. de achternaam
- 39. goed, lekker
- 40. ja
- 42. de nicht
- 44. de tafel
- 45. de oma
- 47. de uitnodiging
- 48. de vriendin
- 55. de middelbare school (klas 1, 2, 3)
- 56. de tante
- 58. bovendien
- 59. naar huis gaan
- 60. uitnodigen
- 62. het appartement
- 64. de hond
- 67. mooi, leuk
- 70. het land
- 71. dag
- 72. de buurvrouw
- 74. de dag
- 76. daar is, daar zijn
- 78. de straat
- 81. de bus
- 82. eten
- 83. de vriend
- 84. schattig
- 85. en jij?
- 86. aardig
- 87. het gaat goed
- 89. de leeftijd
- 92. m'appelle ik heet
- 94. de boodschap
- 96. wacht! (wachten op)
- 97. dol zijn op
- 98. de metro
- 99. ik
- 101. welke
- 102. de vriend
- 105. luisteren (naar)
- 106. het geluk
- 109. klaargemaakt, voorbereid (klaarmaken, voorbereiden)
- 111. van
- 113. nee
- 114. de hobby
- 115. dicht bij
- 118. de buurman
- 126. met
- 127. de tweeling
- 129. de zus
- 131. de verjaardag
- 133. de grootouders
- 135. ik stel je voor
- 136. geweldig
- 137. wie?
- 138. kijk! (kijken naar)
Down
- 1. de opa
- 2. de man, echtgenoot
- 4. beste
- 5. tot later
- 6. bedankt
- 8. de bloem
- 9. de wijk
- 10. dan, dus
- 11. geweldig
- 12. gescheiden (scheiden)
- 16. iedereen
- 18. de zoon
- 21. alleen maar
- 22. morgen
- 23. augustus
- 26. de vriendin
- 28. papa
- 30. de oom
- 31. de muziek
- 33. de tuin
- 34. hij heet
- 36. sportief
- 41. nu
- 43. in
- 44. de ouders
- 46. maar
- 48. daar, daarginds
- 49. dansen
- 50. de halfbroer
- 51. sinds
- 52. zoals
- 53. klein
- 54. tot ziens
- 57. Nederlands
- 61. altijd
- 63. heel, erg
- 65. de voornaam
- 66. de nationaliteit
- 68. het adres
- 69. zij lacht (lachen)
- 73. Frans
- 75. de moeder
- 77. het dier
- 79. bij (thuis)
- 80. het weekend
- 88. ook
- 89. de jongen
- 90. het huis
- 91. de neef
- 93. hier is, hier zijn
- 95. in de brugklas
- 100. Frankrijk
- 103. mama
- 104. organiseren
- 107. het is, dat is
- 108. de vakantie
- 110. de slaapkamer
- 112. de kat
- 116. de broer
- 117. voorstellen
- 119. tennis
- 120. meneer
- 121. het feest
- 122. tevreden, blij
- 123. of
- 124. de foto
- 125. grappig
- 128. en
- 130. de vader
- 132. getrouwd
- 134. op
