Monetaire zaken

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041
Across
  1. 2. Kwam voor in Duitsland in de jaren twintig van de vorige eeuw
  2. 5. Stijgt door te focussen op één enkele taak
  3. 8. Intrinsieke waarde
  4. 11. Waarde van een munt uitgedrukt in een andere munt
  5. 12. Geld dat de mensen op een spaarrekening bij de bank aanhouden
  6. 16. Verleend nog geen kredieten
  7. 18. Krediet wordt afgelost
  8. 20. Aanbodfactoren
  9. 24. Geld dat meteen beschikbaar is als je het nodig hebt maar niks oplevert
  10. 25. ESCB
  11. 27. Toen ontstond een nieuwe geldsoort
  12. 28. Een functie van geld
  13. 29. Monetair beleid
  14. 31. Schuld van de goudsmid aan de eigenaren van de ontvangstbewijzen
  15. 33. Bij belegen wordt geld hierin omgezet
  16. 34. Geld gebaseerd op vertrouwen
  17. 35. Grootste pensioenfonds in Nederland
  18. 36. Door het verrichten van een...vindt het CBS de wegingsfactoren
  19. 37. Illustreer je de samenstelling van de maatschappelijke geldhoeveelheid mee
  20. 38. Verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen
  21. 39. Het streven naar een vermindering hiervan was de rode draad in de historische ontwikkeling van het geld
  22. 41. Met het begrip sparen bedoelen banken vaak
Down
  1. 1. Geld is reëel minder waard
  2. 3. Vertrouwen
  3. 4. Ondernemingen die wereldwijd opereren, terwijl Nederland de thuisbasis bleef
  4. 6. Bezittingen-schulden
  5. 7. Ook wel elektronische portemonnee
  6. 9. Het zilvergehalte van het geld was van...hoger dan de munten van zijn opvolgers
  7. 10. Verleende kredieten
  8. 13. Een andere naam voor Giraal tegoed
  9. 14. Munten met een hoog gehalte
  10. 15. Als je geld op deze manier gebruikt is het gemakkelijk om de waarde van verschillende producten te vergelijken
  11. 17. Samenstelling verandert en de omvang blijft hetzelfde
  12. 19. Een situatie waarin de bestedingen de productiecapaciteit overtreffen
  13. 21. Overige bezittingen
  14. 22. Een geldscheppende instelling in Nederland
  15. 23. Fungeert als dekkingsmiddel
  16. 26. Near money
  17. 28. Dienst gedaan als ruilmiddel
  18. 30. Spaarbanken en hypotheekbanken fungeerde als
  19. 31. Muntsoort
  20. 32. Inflatie tast naast zijn reëel vermogen ook zijn...aan
  21. 40. Was sterk gericht op de industriële dienstverlening