Across
- 4. oprapen
- 6. rennen
- 7. laten vallen
- 9. huppelen
- 11. klimmen
- 12. tillen
- 14. gooien
- 15. uitglijden
- 16. vangen
Down
- 1. opspringen
- 2. buigen
- 3. kruipen
- 4. duwen
- 5. schoppen
- 8. trekken
- 9. uitglijden
- 10. down neerzetten
- 11. dragen
- 13. vallen
- 15. zich uitrekken
- 17. huppelen,hinken
