Across
- 3. dit gaan we straks samen klaarmaken
- 4. ".... moet ik u?"
- 5. welke dag zijn we vandaag?
- 9. gemeente waar de markt zich bevindt
- 10. de bus ....
Down
- 1. plaats waar je vandaag naartoe gaat
- 2. persoon die artikelen verkoopt
- 6. transportmiddel dat je nu gebruikt
- 7. "Ik wil graag 2 .... tomaten"
- 8. het uur waarop we afgesproken hebben op school
- 11. "Ga je ...?"
