Nederlands oefenen

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344
Across
  1. 2. een drama, een zeer erge gebeurtenis
  2. 3. fervent
  3. 4. (een gerecht) serveren
  4. 6. zich ... = zich haasten
  5. 8. met vloeistof overgeten, meestal water
  6. 10. in grote lijnen betekent zonder ...
  7. 11. eigenschap dat je steeds doet wat je moet doen, ook al wil je dit niet
  8. 12. heel veel
  9. 14. wat niet vaak voorkomt
  10. 15. volgens eigen mening
  11. 19. feeƫriek
  12. 20. iets is ergens veel aanwezig
  13. 21. verminderen, begrenzen
  14. 22. onnodig, overbodig
  15. 26. de verdraagzaamheid
  16. 28. iemand die je helpt
  17. 33. boeken- of filmreeksen die uit drie aparte delen bestaan
  18. 35. zo dat je het goed genoeg vindt
  19. 36. verandering waardoor een verhaal heel anders verder gaat
  20. 37. binnen de ... = zodat het niet teveel overlast of schade veroorzaakt
  21. 38. de consulent
  22. 40. zoet praten over iemand om die persoon te sussen
  23. 41. er is 1 mogelijkheid, 1 uitleg
  24. 42. op alle plaatsen
  25. 44. corresponderen
Down
  1. 1. vergelijken met iets of iemand anders
  2. 5. aangeslagen zijn
  3. 7. iets wat je ziet, voelt, ruikt of hoort
  4. 8. bevechten, tegengaan
  5. 9. ... gaan met = samengaan met
  6. 13. het belangrijkste
  7. 16. in de tegenovergestelde richting
  8. 17. een gigantische angst
  9. 18. als iets niet op een natuurlijke manier gebeurt of ontstaan is
  10. 23. overtroffen, iets/iemand is beter
  11. 24. van deze tijd of dit moment
  12. 25. duurzaam
  13. 27. ... laten = niet doen
  14. 29. een buitenlands gebied onder controle van een andere machthebber
  15. 30. heel belangrijk
  16. 31. weinig ruimte omvattend, smal, klein
  17. 32. als iets voordelig voor je is
  18. 34. een voorwerp
  19. 39. prentje waarin gegevens op een duidelijke manier zichtbaar zijn
  20. 43. een hoge ... van jezelf hebben