Nederlands Woordenschat toets 3

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546
Across
  1. 2. Beroepsplicht om te zwijgen over informatie die gedeeld werd
  2. 3. Verandering van richting, idee, ommekeer
  3. 5. Speciaal, met bepaalde kenmerken, bijzonder
  4. 7. Werkend door vloeistofdruk
  5. 8. Niet gebaseerd op feiten, met eigen meningen
  6. 9. Verscheidenheid, afwisseling
  7. 11. Als iets moois zichtbaar zijn of vertoond worden
  8. 12. Flauw keelgeluid
  9. 15. Een prijs krijgen
  10. 16. Scherp, fel, bits
  11. 19. Zich snel, fluitend of huilend voortbewegen
  12. 21. Engels woord voor poets, nep, bedrog of oplichterij
  13. 25. Op basis van feiten, los van eigen meningen
  14. 27. Ernstig schaden
  15. 29. Zich geleidelijk ontwikkelen
  16. 30. Inkerving, rimpel
  17. 31. Dialect
  18. 32. Uitzoeken hoe iets precies in elkaar zit
  19. 35. Opslorpen, opzuigen
  20. 37. Buitensluiten; niet meer kopen
  21. 40. Het einde
  22. 42. De bovenhand nemen, sterker zijn dan de andere
  23. 44. Blijvend volhouden
  24. 45. Actie waarbij op grote schaal mensen worden opgepakt
  25. 46. Met het oog op, wegens; omdat
Down
  1. 1. Huidziekte gekenmerkt door rode vlekken en witte schilfers
  2. 4. Onrustbarend, zorgwekkend
  3. 6. Vermogen om zich in de gevoelens van een ander in te leven
  4. 10. Zo veel mogelijk voordeel halen uit
  5. 13. Op een beknopte, korte manier beschrijven met woorden
  6. 14. Gevoel van een-zijn met anderen, van samen horen
  7. 17. Geen geluid maken
  8. 18. Gebouw bestemd voor soldaten, brandweer
  9. 20. Volledig uitgedroogd landschap
  10. 22. Vereniging van kloosterlingen die geloften hebben afgelegd
  11. 23. Onlangs, nog niet lang geleden
  12. 24. Verzinsel, korte vertaling waarin dieren als personen optreden
  13. 26. Hol rond voorwerp begrensd door een gebogen vlak
  14. 28. Iemand de schuld geven van iets
  15. 33. Slechte, barbaarse daad
  16. 34. Regelmatige kritische bijdrage in een krant of weekblad
  17. 36. Slaaf die zijn lening betaalt met absurd veel werken
  18. 38. Rode kleur van de wangen
  19. 39. Zich in alle richtingen door elkaar bewegen, wemelen
  20. 41. Afstand tussen twee punten of vleugeluiteinden
  21. 43. Eenzaam, alleen