nederlandse terminologie

12345678910111213141516171819
Across
  1. 2. vervelende gebeurtenis die plotseling plaatsvindt
  2. 8. brede straat in een grote stad of langs het strand
  3. 9. als iets geheim is en niemand het mag merken
  4. 10. elektronische synchrone opname van bewegend beeld en geluid.
  5. 11. plek waar de bal in moet tijdens het voetbalspel
  6. 12. ploeg mensen die samen sporten of werken
  7. 14. rand aan een stuk stof die is omgeslagen en vastgenaaid
  8. 16. het laten sterven van iemand die ernstig ziek is, ondraaglijke pijn lijdt en niet meer beter kan worden
  9. 18. toonkast, uitstalraam, etalage, uitstalkast
  10. 19. snoepje op een stokje
Down
  1. 1. handige, effectieve manier om iets te doen
  2. 3. stof waarmee je dingen kunt laten ontploffen
  3. 4. ronde schijf met een gebogen rand die je naar elkaar overgooit
  4. 5. iemand die in een paardenrace een paard berijdt, ook als beroep
  5. 6. wijds uitzicht naar alle kanten
  6. 7. kleerkast kleding vestiaire
  7. 9. voorwerp dat je aan iets herinnert
  8. 13. bijna niet te geloven
  9. 15. traditie om gek verkleed de straat op te gaan
  10. 17. een benaming voor mals en mager spiervlees