Across
- 2. to be (zijn)
- 4. make (maken)
- 5. pay(betalen)
- 7. bite (bijten)
- 8. hide (verstoppen)
- 9. get (krijgen)
- 10. broke (breken)
- 12. drink(drinken)
- 13. sing(zingen)
- 15. had (hebben)
- 16. go(gaan)
- 17. found (vinden)
Down
- 1. fly (vliegen)
- 3. sleep(slapen)
- 6. do (doen)
- 7. build (bouwen)
- 9. give (geven)
- 10. buy (kopen)
- 11. run(rennen)
- 12. draw (tekenen)
- 14. eat (eten)
- 16. win(winnen)
- 18. drive (rijden)
