Across
- 2. Hij heeft zijn pennenzak niet bij, dus heb ik hem mijn pen ... (geven)
- 3. Heb je al gehakt in de winkel ... ? (halen)
- 5. Hij heeft de hele avond ... (poetsen)
- 6. Zij hebben gisteren met elkaar ... (spreken)
- 7. Jij hebt al mijn vuile kleren ... (wassen)
- 8. Wij hebben aan de lerares ... wanneer de test is. (vragen)
- 10. Tijdens hun opleiding hebben zij veel ... (leren)
- 11. Heb je de tafel al ...? (dekken)
- 12. Ik weet niet waar de sleutel is, jullie hebben hem niet op de tafel ... (leggen)
- 15. Zij hebben in dat restaurant lekker ... (eten)
Down
- 1. Zijn kindje heeft een mooie tekening ... (maken)
- 4. Op het etentje hebben we een fles wijn ... (meebrengen)
- 6. Mijn vader heeft al mijn hemden ... (strijken)
- 8. Wij hebben een lekker gerecht ... (koken)
- 9. Zij hebben in een restaurant ... (werken)
- 10. Jij hebt een interessant artikel in de krant ... (lezen)
- 12. Hij heeft het glas water op tafel ... (zetten)
- 13. Omdat hij ziek was, is hij niet naar de les .... (komen)
- 14. Wij hebben twee uur gezocht, maar we hebben de sleutels niet ... (vinden)
