perfectum 2

123456789101112131415
Across
  1. 2. Hij heeft zijn pennenzak niet bij, dus heb ik hem mijn pen ... (geven)
  2. 3. Heb je al gehakt in de winkel ... ? (halen)
  3. 5. Hij heeft de hele avond ... (poetsen)
  4. 6. Zij hebben gisteren met elkaar ... (spreken)
  5. 7. Jij hebt al mijn vuile kleren ... (wassen)
  6. 8. Wij hebben aan de lerares ... wanneer de test is. (vragen)
  7. 10. Tijdens hun opleiding hebben zij veel ... (leren)
  8. 11. Heb je de tafel al ...? (dekken)
  9. 12. Ik weet niet waar de sleutel is, jullie hebben hem niet op de tafel ... (leggen)
  10. 15. Zij hebben in dat restaurant lekker ... (eten)
Down
  1. 1. Zijn kindje heeft een mooie tekening ... (maken)
  2. 4. Op het etentje hebben we een fles wijn ... (meebrengen)
  3. 6. Mijn vader heeft al mijn hemden ... (strijken)
  4. 8. Wij hebben een lekker gerecht ... (koken)
  5. 9. Zij hebben in een restaurant ... (werken)
  6. 10. Jij hebt een interessant artikel in de krant ... (lezen)
  7. 12. Hij heeft het glas water op tafel ... (zetten)
  8. 13. Omdat hij ziek was, is hij niet naar de les .... (komen)
  9. 14. Wij hebben twee uur gezocht, maar we hebben de sleutels niet ... (vinden)