Across
- 2. Ik wuifde naar hem, maar hij heeft mij niet ... (zien)
- 3. Heb je de afwas al ... ? (doen)
- 6. Omdat ik mijn auto niet meer gebruik, heb ik hem ... (verkopen)
- 8. Hij heeft de glazen nog niet ... (afdrogen)
- 11. Mijn moeder heeft voor mijn verjaardag een taart ... (bakken)
- 13. Heb jij echt tot 14u ...? (slapen)
- 14. Zij hebben allemaal koffie ... (drinken)
- 15. Hij is 3 maanden ziek ... (zijn)
- 16. Hij heeft de gordijnen aan het raam ... (hangen)
Down
- 1. De lerares heeft ... dat het vandaag geen les is. (zeggen)
- 2. Zij hebben cadeautjes ... (kopen)
- 4. Wij hebben de tafel helemaal .... (afruimen)
- 5. De zon scheen dus hebben we de tafels en stoelen ... (buitenzetten)
- 7. Omdat ze ziek is, heeft hij haar een boeket bloemen ... (brengen)
- 8. Jullie hebben de borden nog niet ... (afgewassen)
- 9. Jullie hebben een mooie tekst ... (schrijven)
- 10. Wij zijn tot het einde van de film in de cinema ... (blijven)
- 12. Wij hebben de hele namiddag op het internet... (surfen)
- 15. Omdat ik ziek was, heeft hij naar de dokter ... (bellen)
- 16. Hij heeft het hele jaar nog geen dag vakantie... (nemen)
