Across
- 2. hun land gaf hij in bezit, in............(12)aan Israël, zijn volk
- 3. er komt geen............(17)uit de mond van hun goden
- 5. hij trof vele volken en doodde machtige……………………(10)
- 7. van u zal men............(13), van geslacht op geslacht
- 9. hij trof de.............(8)van Egypte, van mens en van dier
- 11. hij deed.............(9)en tekenen voor de farao en al zijn dienaren
Down
- 1. goden van andere volken zijn van zilver en goud, gemaakt door..........(15)
- 4. de goden hebben een.............(16), maar kunnen niet spreken
- 6. zoals de goden, zo worden ook hun makers en ieder die op hen...........(18)
- 8. de goden hebben..........(16), maar kunnen niet zien
- 10. de goden hebben............(17), maar kunnen niet horen
