pw

123456789101112
Across
  1. 2. Hoe kon je nu zo dom zijn! Dat is toch een enorme flater die je nu begaat.
  2. 4. Je moet de tekst niet grondig lezen, maar in grote lijnen.
  3. 6. Je hoop toch altijd dat een journalist op een eerlijke manier het nieuws brengen waarbij ze rekening houden met de feiten en niet hun eigen mening.
  4. 8. Als je de woorden niet goed begrijpt, moet je kijken naar de woorden rondom, naar de andere woorden in de zin.
  5. 9. In de klas moet je zorgen dat je uitspraak mooi en duidelijk is zodat de hele klas je goed verstaat.
  6. 10. Heel veel bedrijven zijn herkenbaar aan hun logo, kleuren, lettertype.
  7. 12. Dat is ook van toepassing op dit geval.
Down
  1. 1. Na de zoveelste tegenslag zaten de spelers na de match teneergeslagen op de grond.
  2. 3. Heb je mijn post-it die op de koelkast hing dan niet gezien?
  3. 5. Dit woord betekent hetzelfde.
  4. 7. Op de speelplaats houdt er iemand toezicht.
  5. 11. Mijn stem is hees.