Romeinen

123456789101112131415161718
Across
  1. 2. Godsdienst die door de regering van een land wordt beschermd en soms als enige is toegestaan.
  2. 6. Alleenheerser. Julius Caesar kreeg korte tijd van de senaat veel macht om een einde te maken aan de onrust.
  3. 7. Overdragen of overnemen van de Romeinse cultuur door andere volken.
  4. 8. Vergadering van rijke en belangrijke Romeinen. Zij namen alle belangrijke besluiten in het Romeinse Rijk.
  5. 11. Oorlog tussen twee of meer groepen die in hetzelfde land leven.
  6. 13. Volgelingen van Jezus van Nazareth. Christenen geloven, net als joden en moslims, in één god.
  7. 14. Leiders van het Romeinse Rijk in de tijd van de republiek.
  8. 16. Slaaf die door zijn meester was vrijgelaten. Hij kreeg nog niet alle rechten van een Romein, maar zijn kinderen wel.
  9. 17. Romana Periode van tweehonderd jaar van vrede, die begon onder keizer Augustus.
  10. 18. Land met als staatshoofd een president.
Down
  1. 1. Inferior Romeinse naam voor de provincie waarin een deel van ons land lag.
  2. 3. samenleving Samenleving waarin de meeste mensen op het platteland leven en een klein aantal in steden.
  3. 4. Beroepsvechters die optraden in een amfitheater. Meestal waren het slaven en misdadigers.
  4. 5. Versterkte noordgrens van het Romeinse Rijk.
  5. 9. Volksverhuizing Periode tussen de derde en vijfde eeuw waarin veel volken door Europa rondtrokken en zich in nieuwe gebieden vestigden.
  6. 10. Staatshoofd van een republiek en vaak ook de leider van de regering.
  7. 11. Leider van christenen in een bepaald gebied.
  8. 12. Arme en werkloze Romeinen.
  9. 15. Bisschop van Rome en leider van de christenen.