Across
- 3. = met een ... schrijf je
- 4. = op een ..... zit je
- 7. = op school moet je veel .........
Down
- 1. = voor een ..... moet je veel en goed leren
- 2. = tekenen doe je met een .......
- 5. = voer een toets moet je veel .......
- 6. = op school moet je .....
