Schooltaalwoorden

12345678910111213141516
Across
  1. 2. Tia Hellebaut raakte ook bij haar tweede …… niet over de lat.
  2. 3. Hij ………. de woorden op alfabetische volgorde.
  3. 6. Ik zal …….. 12 uur landen op de luchthaven.
  4. 7. Het tegenovergestelde van exclusief
  5. 9. Ik had een fantastische verjaardag. Eerst kreeg ik een iPad cadeau en ……. aten we een heerlijke slagroomtaart.
  6. 11. Schuingedrukt
  7. 12. De voetbalwedstrijd is door het slechte weer …….
  8. 16. …… het hard regent, gaat hij toch met zijn fiets naar het werk.
Down
  1. 1. Die stagiair kan goed met mensen om, hij is heel …..
  2. 4. Het tegenovergestelde van objectief
  3. 5. Die winkelier heeft mij …. ……… beschuldigd van diefstal.
  4. 7. De afkorting voor ‘in plaats van’
  5. 8. …… hij ziek is, gaat hij niet naar het feest.
  6. 10. De Davidster is het ……. van het Jodendom.
  7. 13. We zagen niet het hele programma, we zagen maar een ....
  8. 14. Een synoniem voor ‘plaats’
  9. 15. Het tegenovergestelde van praktijk