schooltaalwoorden4a4

12345678910111213141516171819
Across
  1. 3. snel, fel, krachtig
  2. 5. blij en tevreden
  3. 7. van iedereen, samen
  4. 11. geluidssterkte || de totale inhoud
  5. 13. aarzelen
  6. 15. van boven naar beneden of omgekeerd
  7. 18. zonder gevaar
  8. 19. poging om een verschijnsel te verklaren
Down
  1. 1. uitgezonderd, buiten, naast
  2. 2. gebruiken op een bepaalde manier
  3. 4. waarneembaar, duidelijk merkbaar
  4. 6. de uitslag, de uiteindelijke opbrengst
  5. 8. iemand beoordelen
  6. 9. opwindend, boeiend
  7. 10. voorstelling
  8. 11. wij of wat nadien volgt
  9. 12. opdracht of taak|| werking
  10. 14. verklaring van de gebruikte symbolen
  11. 16. langs. Ik ga ..... die weg naar Brussel.
  12. 17. waar je niet aan twijfelt