Schootaalwoorden 31

123456789101112131415
Across
  1. 4. Het plan van aanpak om je doel te bereiken.
  2. 6. Een zin die je letterlijk van iemand anders hebt overgenomen.
  3. 7. Heel duidelijk en uitdrukkelijk gezegd.
  4. 9. Zorgen dat iets beter gaat; stimuleren.
  5. 10. Iemand die ergens een (streng) oordeel over geeft.
  6. 13. Je mening bewijzen met goede argumenten.
  7. 14. Wat op dit moment in de mode is.
  8. 15. Een bepaalde kant of onderdeel van een zaak.
Down
  1. 1. De andere mogelijkheid; plan B.
  2. 2. Een klein, soms onbelangrijk onderdeel van het geheel.
  3. 3. De eerste stap zetten; niet afwachten.
  4. 5. Tekst aanduiden of accentueren met een stift.
  5. 8. Met zo min mogelijk moeite zoveel mogelijk resultaat halen.
  6. 11. Als er veel verschillen zijn (van alles wat).
  7. 12. Iemand rechtstreeks in aanraking brengen met iets (vaak iets wat ze liever niet zien).