Slapen week 1

123456789101112131415
Across
  1. 2. Van links naar rechts.
  2. 6. Twee bedden op elkaar.
  3. 9. Helemaal gestrekt.
  4. 10. Een matras dat je met lucht moet opblazen.
  5. 12. Licht slapen, steeds even wakker worden.
  6. 13. Saai, iets waarvan je bijna in slaap valt.
  7. 15. Gemakkelijk, waar je je fijn bij voelt.
Down
  1. 1. Rondlopen terwijl je slaapt.
  2. 3. Iets dat je steeds opnieuw doet en waar je handig in geworden bent.
  3. 4. Kleding waarin je slaapt.
  4. 5. Opknappen, weer gezond worden.
  5. 7. van boven naar beneden.
  6. 8. Ergens anders.
  7. 11. Zittend half in slaap vallen waarbij je hoofd steeds omvalt.
  8. 14. Iets wat je ziet, ruikt, proeft, hoort, denkt, voelt.