Spelling woorden blok 3

1234567891011
Across
  1. 2. Je kunt het eten en het is gezond.
  2. 5. Je kunt erin lezen.
  3. 6. Het gevoel dat je hebt als je niet gelukkig bent.
  4. 9. Een meisje met dezelfde vader en moeder als jij.
  5. 10. Een klein voertuig dat over een rails rijdt.
  6. 11. Er komt iemand op visite.
Down
  1. 1. Je kunt erin wonen.
  2. 3. Een vloeibare stof die je ergens op smeert om het een kleur te geven.
  3. 4. Aan het begin.
  4. 5. Een jongetje met dezelfde vader en moeder als jij.
  5. 7. Het heeft twee wielen en je kunt ermee rijden.
  6. 8. Een stuk zilverkleurig glas waarin je jezelf kunt zien.