stijlfiguren

123456789
Across
  1. 4. Kees is een lieve jongen, maar zijn broer kan erg gemeen zijn.
  2. 5. Tijdens de mooie lentedag lag hij lekker in het groene gras
  3. 6. Hij gaat dit jaar vast en zeker over
  4. 8. ‘Je konijn is heengegaan’, zei mama tegen Marietje toen hij dood in het hok lag.
Down
  1. 1. ‘Knap gedaan hoor’, zei de leraar tegen de leerling toen die een 1 haalde.
  2. 2. Ik sta hier al een eeuwigheid op je te wachten!
  3. 3. ‘Dat viel niet tegen’, zei de voetballer na het maken van drie goals.
  4. 7. Hij haalde een mand vol boodschappen: eieren, kaas, melk en chips nam hij ook mee.
  5. 9. ‘Daar heb je vast lang over gedaan!’, zei de docent lachend toen hij 1 antwoord in zijn schrift zag staan.