T3 taalschat blok 1 en 2

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233
Across
  1. 3. de mogelijkheid om alleen te zijn zonder gestoord, bespied of afgeluisterd te worden
  2. 4. prikkel oppepper
  3. 5. een optocht houden (voorbijkomen om zich te laten zien)
  4. 9. doorsnede
  5. 11. apart buitenissig
  6. 12. gespecialiseerd zich erop toegelegd, zich er speciaal mee beziggehouden
  7. 14. de plaats bepalen
  8. 18. vindingrijke vernuftige
  9. 19. op de markt brengen
  10. 21. gevaar lopen
  11. 22. een lijst maken van spullen of punten
  12. 24. in een code omzetten
  13. 25. met een wervelkolom, ruggengraat
  14. 27. plaatsen
  15. 30. periode van tien jaar
  16. 31. manier waarop iemand zich gedraagt
  17. 32. waarvan er maar een is; enig
  18. 33. norm, maatstaf
Down
  1. 1. goed nadenken over (wat je doet)
  2. 2. iets laten denken zonder het direct te zeggen
  3. 3. particuliere privé niet van de overhei
  4. 6. lid van de regering dat de minister ondersteunt (onderminister)
  5. 7. ergens geld tijd of energie aan besteden
  6. 8. waarbij wordt samengewerkt, gezamenlijke
  7. 10. kennis van de manier waarop je apparaten maakt
  8. 13. omzetting van voedingsstoffen in bouwstoffen van het lichaam
  9. 15. africhten
  10. 16. meespelen in een onbelangrijke zwijgende rol
  11. 17. stiekem binnendringen in een organisatie (om informatie te verkrijgen)
  12. 20. elektronisch verkeersbord dat automatisch reageert op de verkeerssituatie
  13. 23. tentoonstellen
  14. 26. passief, niet optreden
  15. 28. in werking stellen
  16. 29. figuurtje of ontwerp dat een bedrijf gebruikt als merkteken