Taal in beeld 6a blok 4 les 9

123456789
Across
  1. 2. Iets aan iedereen laten zien omdat je er trots op bent.
  2. 7. Iemand niet mee laten doen met een spel, terwijl hij dat wel wil.
  3. 9. De band tussen mensen. Bijvoorbeeld tussen vrienden, familie of mensen die verliefd op elkaar zijn.
Down
  1. 1. Twee mensen die verliefd op elkaar zijn en veel met elkaar omgaan.
  2. 3. Het is ergens prettig en leuk. De mensen zijn aardig.
  3. 4. In je gedachten dingen aan elkaar verbinden.
  4. 5. Het grappige van iets.
  5. 6. Grapjes.
  6. 8. Je kunt iets heel goed, zonder veel moeite doen.