Taal les 2

12345678910
Across
  1. 2. Hoe het weer is.
  2. 3. Hard regenen. Er valt in korte tijd veel regen.
  3. 5. Het niet meer doen. Als het verkeer platligt, kan er niemand meer rijden.
  4. 6. Zachtjes regenen.
  5. 7. Helemaal nat.
  6. 9. Bij guur weer waait er een koude wind.
  7. 10. Aanrichten. De reden waarom dingen gebeuren.
Down
  1. 1. De temperatuur die je voelt. Niet de echte temperatuur, maar hoe koud of warm het voelt.
  2. 4. Goed, positief. Als iets gunstig is, dan komt het goed uit.
  3. 8. Voertuigen waar iedereen in mag rijden (treinen, bussen, metro's, trams en boten).