taal thema 6 alle themawoorden van week 1 en 2

1234567891011121314151617181920212223
Across
  1. 1. Het meer.
  2. 6. Dat wat ver weg is, maar wat je nog wel ziet.
  3. 11. Hiermee kun je dingen die ver weg zijn, goed zien.
  4. 14. Wat je verzint, het is niet echt.
  5. 15. Eén oog even dichtdoen terwijl je iemand aankijkt.
  6. 16. Heel mooi.
  7. 17. Een hol of bol glas. In een fototoestel en een verrekijker zitten lenzen.
  8. 18. Als je een goed humeur hebt, ben je vrolijk. Als je een slecht humeur hebt, mopper je steeds.
  9. 20. Met open mond naar iemand kijken.
  10. 22. Je kijkt een tijdje naar één punt, maar je ziet eigenlijk niets.
  11. 23. Een cijfer, letter of iets anders op je mobiele telefoon of computer.
Down
  1. 2. Een foto of schilderij waar dingen op staan die niet kunnen bewegen.
  2. 3. Je tanden tikken zachtjes tegen elkaar, omdat je het heel koud hebt of bang bent.
  3. 4. Laten zien of laten merken dat je iets voelt (bv. verdriet).
  4. 5. Dat wat dichtbij is.
  5. 7. Je kijkt van buiten naar binnen of van binnen naar buiten, je wilt niet gezien worden.
  6. 8. Een foto of schilderij van de natuur.
  7. 9. In de tijd dat het gebeurt.
  8. 10. Een plaatje dat iets anders voorstelt.
  9. 12. Iemand lang aankijken.
  10. 13. Iemand die foto's maakt. Dat is zijn werk.
  11. 19. Scherp naar iets kijken.
  12. 21. Een foto of schilderij van iemand van dichtbij.