Taal woordenschat 8.2

1234567891011
Across
  1. 7. De manier waarop iemand leeft.
  2. 8. Als je veel geld weggeeft.
  3. 9. Als je liever geen geld aan andere mensen (uit)geeft.
  4. 10. Als je alleen geld uitgeeft aan dingen die je echt nodig hebt.
  5. 11. Niet minder dan, waarschijnlijk meer. Hij heeft minstens 20 euro in zijn spaarpot.
Down
  1. 1. De uitspraak die aangeeft dat je ergens ontevreden over bent.
  2. 2. Als je meer zakgeld krijgt of een hoger salaris, krijg je opslag.
  3. 3. Bedriegen.
  4. 4. Een heel domme fout.
  5. 5. Als je veel geld uitgeeft aan dingen die je niet nodig hebt.
  6. 6. De afspraak die je samen maakt.