Taaljournaal week 13 en 14

1234567891011121314151617181920
Across
  1. 2. Als je op iets of iemand let.
  2. 5. We hebben evenveel punten.
  3. 6. Durven.
  4. 7. Je maakt bijna geen fouten.
  5. 9. Een groep mensen die samen een sport doet.
  6. 10. We hebben verloren, we kunnen wel tegen ons verlies.
  7. 12. Doen wat er is afgesproken.
  8. 15. Storen.
  9. 17. Je weet niet precies wat er gaat gebeuren.
  10. 18. Iemand lelijke namen geven.
  11. 20. Je bent nog niet aan de beurt en doet alsof dat wel zo is.
Down
  1. 1. We hebben gewonnen, de winst is voor ons.
  2. 3. Boos worden als je niet wint.
  3. 4. Stiekem.
  4. 8. Iets wat niet waar is.
  5. 11. Onaardige dingen over iemand zeggen.
  6. 13. Hoeveel punten elk team heeft.
  7. 14. Je zegt op een vervelende manier wat anderen moeten doen.
  8. 16. Denken dat het waar is.
  9. 19. Een doelpunt maken.