Across
- 3. Apparaat waarmee je ver kunt zien
- 6. Een cirkelvormig sieraad voor om de vinger
- 8. Inheems geel-zwart zangvogeltje
- 9. Wegrotten, vergaan
- 12. Zwarte of witte hond met krulhaar
- 14. buitenste laag van een boomstam of -tak
- 16. Alles waarmee je iets kunt maken
- 18. Elk van de periodes van drie maanden in een kalenderjaar: lente, zomer, herfst, winter
- 19. schoen die bestaat uit een zool met banden over de voet
- 20. Ambtenaar die erop let dat je je een bos netjes gedraagt en die voorlichting geeft over planten en dieren
- 22. Op een manier die je goed van pas komt
- 23. Anderen ziek maken
- 24. Het groter worden of toenemen
- 25. Wat echt bij iets of iemand hoort
- 26. Hoe breed iets is
Down
- 1. Kleine, afgeschermde ruimte in een kast, doos of lade
- 2. Zo goed als, bijna helemaal
- 3. lange smalle boot die je met een peddel vooruit beweegt
- 4. Als je iets makkelijk kunt buigen of bewegen
- 5. Erg nodig
- 7. Iets wat vanzelf gebeurt, doordat er eerst iets anders is gebeurd
- 10. Vogelhuisje
- 11. Een nest maken
- 13. (een boom) onderaan met een bijl hakken tot die omvalt
- 15. Plat stukje dat ergens van is losgeraakt
- 17. In de verte
- 20. Boom waar eetbare nootjes aan groeien
- 21. Uit de grond halen
