Taalverhaal - Hoofdstuk 9

1234567891011121314151617181920212223242526
Across
  1. 3. Apparaat waarmee je ver kunt zien
  2. 6. Een cirkelvormig sieraad voor om de vinger
  3. 8. Inheems geel-zwart zangvogeltje
  4. 9. Wegrotten, vergaan
  5. 12. Zwarte of witte hond met krulhaar
  6. 14. buitenste laag van een boomstam of -tak
  7. 16. Alles waarmee je iets kunt maken
  8. 18. Elk van de periodes van drie maanden in een kalenderjaar: lente, zomer, herfst, winter
  9. 19. schoen die bestaat uit een zool met banden over de voet
  10. 20. Ambtenaar die erop let dat je je een bos netjes gedraagt en die voorlichting geeft over planten en dieren
  11. 22. Op een manier die je goed van pas komt
  12. 23. Anderen ziek maken
  13. 24. Het groter worden of toenemen
  14. 25. Wat echt bij iets of iemand hoort
  15. 26. Hoe breed iets is
Down
  1. 1. Kleine, afgeschermde ruimte in een kast, doos of lade
  2. 2. Zo goed als, bijna helemaal
  3. 3. lange smalle boot die je met een peddel vooruit beweegt
  4. 4. Als je iets makkelijk kunt buigen of bewegen
  5. 5. Erg nodig
  6. 7. Iets wat vanzelf gebeurt, doordat er eerst iets anders is gebeurd
  7. 10. Vogelhuisje
  8. 11. Een nest maken
  9. 13. (een boom) onderaan met een bijl hakken tot die omvalt
  10. 15. Plat stukje dat ergens van is losgeraakt
  11. 17. In de verte
  12. 20. Boom waar eetbare nootjes aan groeien
  13. 21. Uit de grond halen