Thema 1 Tegenstellingen les 6

12345678910111213141516
Across
  1. 1. Twee mensen bij elkaar brengen.
  2. 5. Precies zo worden als de mensen om je heen, door hun manieren.
  3. 8. Rijker(waardevoller) maken.
  4. 10. Iemand uit een ander land die in Nederland is komen wonen.
  5. 11. De afspraken over hoe je je moet gedragen.
  6. 12. Je gaat er niet tegenin, het is zo. Ik accepteer dat ik geen snoepje mag, omdat we bijna gaan eten.
  7. 14. Iemand die in het land woont waar hij geboren en opgegroeid is.
  8. 15. Ergens niets van moeten hebben.
  9. 16. Waar iemand vandaan komt, wat hij vroeger geleerd of gedaan heeft.
Down
  1. 2. Als je ergens niet oplet. Ik ga fietsen, ongeacht de regen.
  2. 3. De manier waarop mensen leven en met elkaar omgaan.
  3. 4. Er zijn er een heleboel bij elkaar.
  4. 6. Je vindt iets goed of leuk.
  5. 7. Je vindt iets niet goed of leuk.
  6. 9. Als je iemand verkeerd begrijpt.
  7. 13. De godsdienst.