Thema 2, sport: les 11

1234567891011121314
Across
  1. 2. Iemand heel hard aanmoedigen.
  2. 6. Heel erg moe.
  3. 8. Veranderen door het langer (geldig) te maken.
  4. 9. Toch.
  5. 11. Naar de zijknt.
  6. 12. Als je ergens niet intrapt, heb je het door.
  7. 13. Een denksport waarbij je een schaakbord en schaakstukken gebruikt.
  8. 14. De toestand van je lichaam. Iemand met een goede conditie kan bijvoorbeeld heel lang en hard rennen.
Down
  1. 1. Meedoen aan iets waarin je geen belangrijke rol speelt.
  2. 3. Langzaam lopen. Je tilt je voeten niet goed op.
  3. 4. Een denksport waarbij je een dambord en damstenen gebruikt.
  4. 5. Uitleg hoe je te werk moet gaan.
  5. 7. Sporten waarbij je goed je hersenen moet gebruiken.
  6. 10. Hard rennen over een korte afstand.