Thema 2C POËZIE - inoefenen woordenschat BB

12345678910111213141516171819202122232425
Across
  1. 2. Een lettersoort (A-E-I-O-U)
  2. 4. Geschikt voor de gelegenheid
  3. 6. Zonder moeite te doen, zonder je te concentreren.
  4. 9. Zeggen dat je het ergens niet mee eens bent
  5. 10. Klein, minder belangrijk onderdeel.
  6. 12. Een verhaal of gedicht oplezen voor publiek.
  7. 13. Een keer dat je iets probeert.
  8. 15. Het eerste van iets.
  9. 17. De afbeelding of tekening.
  10. 18. Een onderdeel of een kant van een iets.
  11. 20. Bijna niet, hetzelfde als nauwelijks
  12. 22. Nadat iets is afgelopen / achteraf.
  13. 23. Precies zoals je het zegt
  14. 24. Iets erbij doen.
  15. 25. Iets dat of iemand die de verbinding vormt tussen twee dingen.
Down
  1. 1. Je voorstellen hoe het is om iemand of ergens anders te zijn.
  2. 3. Iets wat nodig is, of waarvan je eist dat het gebeurt, voordat iets anders gebeurt.
  3. 5. Idee dat je naar voren brengt.
  4. 7. Wanneer je iets anders bedoelt dan wat je precies zegt; niet letterlijk.
  5. 8. Met woorden aangeven hoe iets of iemand is.
  6. 11. Gebruiken in een bepaalde situatie.
  7. 14. Er niet bij zijn, terwijl dat wel verwacht wordt.
  8. 16. Manier waarop mensen spreken en schrijven.
  9. 19. Aardig wat, maar niet bijzonder veel.
  10. 21. echt