Thema 3C TIJD - inoefenen woordenschattoets

12345678910111213141516171819202122
Across
  1. 4. Dertig minuten
  2. 5. Een duidelijke samenvatting.
  3. 7. Voor altijd.
  4. 9. Met de post of via de me-mail sturen / verzenden
  5. 12. Een lijst waarop alle dagen van het jaar staan.
  6. 14. Elke week
  7. 15. Een bepaald punt in de tijd.
  8. 16. Zestig minuten
  9. 18. Snel
  10. 20. Één keer.
  11. 21. De datum van de dag waarop je geboren bent.
  12. 22. Iets doen of ergens zijn.
Down
  1. 1. Bedenken wanneer iets gaat gebeuren
  2. 2. Iets wat snel voorbij is.
  3. 3. Daarna
  4. 6. Als eerste.
  5. 8. Wat je wilt bereiken.
  6. 10. Vijftien minuten
  7. 11. Van deze tijd.
  8. 13. Een bepaalde tijd.
  9. 17. Van of in de toekomst.
  10. 19. Een korte periode.