Thema 6 blz 1

1234567891011121314151617181920212223242526272829
Across
  1. 4. — snel boos of aanvallend in gedrag
  2. 6. — vriendelijk omgaan met gasten of bezoekers
  3. 7. — voor een deel, niet helemaal
  4. 8. — op de gewone werkdagen, niet in het weekend
  5. 9. — verschillend, niet allemaal hetzelfde
  6. 11. — ergens over nadenken omdat je iets wilt weten
  7. 12. — de ruimte tussen twee plaatsen
  8. 17. — iemand die een voertuig bestuurt, zoals een auto of bus
  9. 18. — iets goed weten of begrijpen
  10. 19. — gevoel zoals blijdschap, boosheid of verdriet
  11. 21. — informatie over iemands verleden, opleiding of ervaring
  12. 23. — klaar zijn met een opleiding en een diploma krijgen
  13. 24. — iets onaardigs zeggen waardoor iemand zich gekwetst voelt
  14. 26. — zeggen dat iets waar is
  15. 28. — iets dat echt waar is
  16. 29. — deel van een weg of rivier dat niet rechtdoor gaat
Down
  1. 1. — een mening geven over hoe goed of slecht iets is
  2. 2. — groep van dingen die bij elkaar horen
  3. 3. — iets helemaal afmaken of beëindigen
  4. 5. — reden of uitleg om iets duidelijk te maken of te verdedigen
  5. 8. — met elkaar praten over verschillende meningen
  6. 10. — wat je het leukst of best vindt
  7. 13. — wat te koop is of wat iemand aanbiedt
  8. 14. — een andere richting op gaan, bijvoorbeeld met een auto
  9. 15. — deel van en maaltijd dat in één pan of schaal wordt klaargemaakt, zoals een voorgerecht
  10. 16. — ongeluk waarbij twee dingen elkaar raken
  11. 20. — klein onderdeel van iets
  12. 21. — sport met bijvoorbeeld rennen, springen en gooien
  13. 22. — speciaal moment of situatie
  14. 25. — idee of voorstelling die je ergens van hebt
  15. 27. — zwarte harde weg waarop auto’s rijden