TT, VT en VD

12345678910111213141516171819202122
Across
  1. 3. Hij verbinden (v.t.) het direct.
  2. 7. Ik kon het niet horen omdat hij niezen (v.t.).
  3. 8. Dat gebeuren (t.t.) hier nooit.
  4. 9. Dat worden (t.t.) je broer niet in dank afgenomen.
  5. 11. Van Basten heeft dat telefoontje direct beantwoorden (v.d.)
  6. 14. Daarmee beïinvloeden (v.t.) je hem wel degelijk.
  7. 17. Hans racen (v.t.) als een gek naar de wc.
  8. 18. De rectoren fronsen (v.t.) hun wenkbrauwen.
  9. 20. Dat geloven (t.t.) niemand meer.
  10. 22. Van Persie missen (v.t.) de penalty niet.
Down
  1. 1. Daar heb ik niet voor pleiten (v.d.).
  2. 2. Zij verbeelden (t.t.) zich dat ze op Pamela lijkt.
  3. 4. De leraar negeren (t.t.) haar al een tijdje
  4. 5. Hij skateboarden(t.t.) tegenwoordig elke dag.
  5. 6. Hij lachen (v.t.) omdat hij het verwachtte.
  6. 10. De verdachte heeft nog niet bekennen (v.d.).
  7. 12. Zij wenden (v.t.) de boot net op tijd.
  8. 13. Ook met vergroten (v.d.) letters kon hij het niet lezen.
  9. 15. Hij heeft die kuren wel vaker vertonen (v.d.).
  10. 16. Hij wennen (t.t.) daar wel aan.
  11. 19. Hij melden (t.t.) dat wel per e-mail.
  12. 21. Hij winnen (t.t.) niet altijd.