Unité 26

123456789101112131415161718192021
Across
  1. 2. Iets aan je hand waarmee je kan wijzen.
  2. 4. Zij ze al terug thuis? Mijn ouders zullen morgen ...
  3. 9. Om 6 uur opstaan? Dat is veel te ...!
  4. 11. Waar ga jij je zondag ... ?
  5. 14. Ik ga jou een prachtig verhaal ...
  6. 15. Wat er op het einde gebeurt kondig ik aan met ...
  7. 18. Je hebt er twee om op te staan.
  8. 20. Wat er na het begin gebeurt kondig ik aan met ...
  9. 21. Hiermee kan je varen op rivieren of op zee.
Down
  1. 1. Wie zal er de wedstrijd winnen? De Belgen of de Finnen?
  2. 3. Doe je te voet, vaak in de natuur.
  3. 5. Wat er in het begin gebeurt kondig ik aan met ...
  4. 6. De zon schijnt, vandaag is het erg ...
  5. 7. Brr, in de winter heb ik het vaak ...
  6. 8. Kan je na schooltijd langs komen? Nee, maar wel ... schooltijd.
  7. 10. Je voort bewegen in het water.
  8. 12. Als je afscheid neemt zeg je: "Tot ...!"
  9. 13. Ga jij vandaag zwemmen? Nee, ik ben ... al gaan zwemmen.
  10. 16. Hiermee kan je varen op rivieren, kanalen en zeeën.
  11. 17. Je hebt er om iets te wensen, om mee te spelen,...
  12. 19. Je hebt er twee om iets te geven of te nemen.
  13. 21. Bolvormig voorwerp waarmee je kan spelen.