Across
- 2. Iets aan je hand waarmee je kan wijzen.
- 4. Zij ze al terug thuis? Mijn ouders zullen morgen ...
- 9. Om 6 uur opstaan? Dat is veel te ...!
- 11. Waar ga jij je zondag ... ?
- 14. Ik ga jou een prachtig verhaal ...
- 15. Wat er op het einde gebeurt kondig ik aan met ...
- 18. Je hebt er twee om op te staan.
- 20. Wat er na het begin gebeurt kondig ik aan met ...
- 21. Hiermee kan je varen op rivieren of op zee.
Down
- 1. Wie zal er de wedstrijd winnen? De Belgen of de Finnen?
- 3. Doe je te voet, vaak in de natuur.
- 5. Wat er in het begin gebeurt kondig ik aan met ...
- 6. De zon schijnt, vandaag is het erg ...
- 7. Brr, in de winter heb ik het vaak ...
- 8. Kan je na schooltijd langs komen? Nee, maar wel ... schooltijd.
- 10. Je voort bewegen in het water.
- 12. Als je afscheid neemt zeg je: "Tot ...!"
- 13. Ga jij vandaag zwemmen? Nee, ik ben ... al gaan zwemmen.
- 16. Hiermee kan je varen op rivieren, kanalen en zeeën.
- 17. Je hebt er om iets te wensen, om mee te spelen,...
- 19. Je hebt er twee om iets te geven of te nemen.
- 21. Bolvormig voorwerp waarmee je kan spelen.
