Verben in het Nederlands (met definities)

123456789101112131415161718192021222324
Across
  1. 4. iets of iemand ergens naartoe nemen
  2. 5. geld geven voor iets
  3. 6. met je tanden ergens in zetten
  4. 7. een actie maken
  5. 9. iets ophangen
  6. 12. iets nemen om te helpen
  7. 16. iets zeggen na een vraag
  8. 20. niet weggaan
  9. 21. komen op een plaats
  10. 22. voedsel nemen
  11. 23. iets aan iemand laten hebben
  12. 24. bewegen op muziek
Down
  1. 1. rijden op een fiets
  2. 2. weten wat iets betekent
  3. 3. starten
  4. 4. praten met iemand aan de telefoon
  5. 8. iets doen voor iemand
  6. 10. iets bezitten
  7. 11. in het water springen
  8. 13. iets aanhebben of meenemen
  9. 14. iets maken (zoals een huis)
  10. 15. vloeistof nemen
  11. 17. iets in je hoofd hebben
  12. 18. iets samen gebruiken
  13. 19. van de ene plaats naar de andere