Across
- 3. zij gaan terug
- 5. zij zijn
- 6. ik wil
- 7. zij denkt
- 8. wij gaan terug
- 9. wij willen liever
- 12. hij heeft
- 15. wij hebben
- 16. jullie gaan weg; jullie gaan naar buiten
- 18. ik weet
- 19. jij weet
Down
- 1. jij kunt, jij mag
- 2. wij willen
- 4. jullie hebben
- 5. ik ga weg; ik ga naar buiten
- 7. wij denken
- 9. zij willen liever
- 10. jullie vinden
- 11. hij vindt
- 13. jij bent (je bevindt je)
- 14. jullie kunnen
- 16. ik ben
- 17. hij is (hij bevindt zich)
