Across
- 1. hij is (hij bevindt zich)
- 3. hij vindt
- 5. jij weet
- 7. wij gaan terug
- 10. jullie vinden
- 13. zij willen liever
- 14. zij denkt
- 15. jullie gaan weg; jullie gaan naar buiten
- 17. wij willen
- 18. jij bent (je bevindt je)
- 20. jij kunt, jij mag
- 21. ik ben
- 22. ik ga weg; ik ga naar buiten
Down
- 2. hij heeft
- 4. u vindt
- 5. zij zijn
- 6. jullie kunnen
- 8. wij willen liever
- 9. jullie hebben
- 11. zij gaan terug
- 12. wij denken
- 16. wij hebben
- 17. ik wil
- 19. ik weet
