Verkleinwoorden, aai/ooi/oei, ui/eu/ui, stemloos/stemhebbend

1234567891011121314151617
Across
  1. 2. Maak af: bitter, zout, zoet, ...
  2. 6. Een klein leeuwtje in de dierentuin zit in een klein ...
  3. 8. Dier dat mensen napraat.
  4. 10. Een groot vuur, een klein ...
  5. 12. De deur gaat alleen open met een klein ...
  6. 14. Paarden eten ... (rijmt op mooi)
  7. 15. Maak af: Noord, Oost, West, ...
  8. 16. Vlees waar je niet goed op kunt kauwen is ...
  9. 17. Een bootje kun je laten varen door te ...
Down
  1. 1. Een kabouter woont in een klein ...
  2. 3. 'Hé! ... de bal eens naar mij!'
  3. 4. Het kindje van een varken heet een ...
  4. 5. Iets dat niet leuk is en slaapverwekkend is ...
  5. 7. Wat doe je als je met je hand over de haren van een dier gaat?
  6. 9. Als het gras lang is, moet je ...
  7. 11. Het kindje van een kip heet een ...
  8. 13. Deze dieren staan in de wei en geven melk.