Verleden tijd 1

123456789101112131415161718
Across
  1. 5. plenzen Het .......... van de regen.
  2. 8. zwijgen De mensen .......... over de overval.
  3. 9. fluiten De scheidsrechter .......... voor de vrije trap.
  4. 10. verven Moeder .......... de deur.
  5. 11. graven De hond .......... een gat in de grond.
  6. 12. vertrekken De kinderen .......... als eerste.
  7. 14. zijn De antwoorden .......... verkeerd.
  8. 16. blozen De kinderen ............. toen ze de man zagen.
  9. 17. prijzen De juf .......... Anna om haar goede som.
  10. 18. grazen De geit .......... in de wei.
Down
  1. 1. niezen Het verkouden meisje .......... de hele dag.
  2. 2. beven Iedereen .......... van de kou.
  3. 3. geloven De familie .......... het verhaal niet.
  4. 4. reizen De man ........... naar het verre land.
  5. 5. peinzen Nick .......... niet over het maken van huiswerk.
  6. 6. schuiven De leerlingen .......... hun tafel opzij.
  7. 7. weten Dat antwoord .......... ik.
  8. 12. verwaarlozen De boer .......... de koeien.
  9. 13. kopen De boeren .......... nieuwe kippen op de markt.
  10. 15. hozen De matrozen ........... het water van het schip