Across
- 5. plenzen Het .......... van de regen.
- 8. zwijgen De mensen .......... over de overval.
- 9. fluiten De scheidsrechter .......... voor de vrije trap.
- 10. verven Moeder .......... de deur.
- 11. graven De hond .......... een gat in de grond.
- 12. vertrekken De kinderen .......... als eerste.
- 14. zijn De antwoorden .......... verkeerd.
- 16. blozen De kinderen ............. toen ze de man zagen.
- 17. prijzen De juf .......... Anna om haar goede som.
- 18. grazen De geit .......... in de wei.
Down
- 1. niezen Het verkouden meisje .......... de hele dag.
- 2. beven Iedereen .......... van de kou.
- 3. geloven De familie .......... het verhaal niet.
- 4. reizen De man ........... naar het verre land.
- 5. peinzen Nick .......... niet over het maken van huiswerk.
- 6. schuiven De leerlingen .......... hun tafel opzij.
- 7. weten Dat antwoord .......... ik.
- 12. verwaarlozen De boer .......... de koeien.
- 13. kopen De boeren .......... nieuwe kippen op de markt.
- 15. hozen De matrozen ........... het water van het schip
