Voeding en vertering H4

1234567891011121314151617181920212223242526272829
Across
  1. 4. Een vet dat vooral wordt aangemaakt door de lever; komt voor in celmembranen en wordt gebruikt bij de productie van hormonen, gal en vitamine D
  2. 5. Bacteriƫn in de dikke darm die nuttige stoffen produceren, waaronder vitaminen en enzymen voor de afbraak van stoffen die door verteringsenzymen van de mens niet worden verteerd
  3. 8. Gedeelte van het verteringsstelsel waarin voedsel tijdelijk wordt opgeslagen en verteerd
  4. 9. darm Deel van het darmkanaal waar veel voedingsstoffen uit de voedselbrij worden opgenomen in het bloed
  5. 11. Wordt uitgescheiden door de lever en bevat galkleurstoffen en galzouten
  6. 13. Eiwitten die andere eiwitten tot afzonderlijke aminozuurmoleculen afbreken
  7. 14. Eiwitten, koolhydraten, vetten, water, mineralen en vitaminen
  8. 16. De bewerking van voedsel door enzymen
  9. 19. Deel van het darmkanaal waarin onverteerde voedselresten worden verzameld
  10. 21. Type spieren die bij darmperistaltiek afwisselend met kringspieren samentrekken
  11. 22. Worden aan de voedselbrij afgegeven door verteringsklieren en bevatten enzymen
  12. 24. Kauwen van voedsel met je gebit en kneden en mengen van de voedselbrij door de darmperistaltiek
  13. 26. Eiwitten die vetmoleculen tot afzonderlijke glycerolmoleculen en vetzuurmoleculen verteren
  14. 27. Type spieren die bij darmperistaltiek afwisselend met lengtespieren samentrekken
  15. 28. Aminozuren die in het voedsel moeten voorkomen, omdat mensen die niet of in onvoldoende hoeveelheden zelf kunnen vormen
  16. 29. Verdelen van grote druppels in het voedsel in kleine druppeltjes
Down
  1. 1. Kleine moleculen die het resultaat zijn van de afbraak van grote organische moleculen uit de voedselbrij
  2. 2. Orgaan dat alvleessap produceert
  3. 3. darm Eerste gedeelte van de dunne darm waarin de afvoerbuizen van de lever en de alvleesklier uitmonden
  4. 6. Gedeelte van het verteringsstelsel dat voedsel vervoert van de keelholte naar de maag
  5. 7. Eiwitten die moleculen van polysachariden en disachariden in monosachariden splitsen
  6. 10. Deel van het darmkanaal waar veel water en mineralen uit de voedselresten worden opgenomen in het bloed
  7. 12. Aminozuren die de meeste mensen zelf kunnen maken als ze niet voldoende in het voedsel voorkomen
  8. 15. Uitstulpingen op de darmplooien in de dunne darm
  9. 17. Tijdelijke opslagplaats voor gal
  10. 18. Opname van stoffen uit de darmwand
  11. 20. Orgaan dat gal produceert
  12. 23. Het afwisselend samentrekken van kringspieren en lengtespieren in de wand van het darmkanaal waardoor de voedselbrij wordt voortgeduwd, gekneed en gemengd met de verteringssappen
  13. 25. Klieren die een tot anderhalve liter speeksel per etmaal produceren