Across
- 4. Een oud wapen om kogels af te schieten.
- 5. Tegen mijn vader zeg ik ___.
- 7. Ik ben graag buiten. Ik ga graag wandelen in de ___.
- 8. Ik kan een sneeuwkristal knippen uit ___.
- 9. De ___ regelt het verkeer.
- 12. Ik vind het vervelend dat ik dat niet heb. Ik ben ___.
- 13. Wat een herrie, wat een ___.
- 15. Ik doe het op mijn ___.
- 16. Het is stuk, het is ___.
- 17. Een klein sprookjesfiguur is een ___.
- 18. In de woonkamer ligt een dik ___.
- 19. De astronaut vliegt met een ___ naar de maan.
- 21. Tegen mijn moeder zeg ik ___.
Down
- 1. Een lange, gele vrucht.
- 2. In deze ___ maakt men chocolade.
- 3. Ik duid mijn verjaardag aan op de ___.
- 6. Mijn gezin, mijn grootouders, tantes en nonkels,...: dat is mijn ___.
- 10. Een waterloop dat door de mens is gegraven is een ___.
- 11. De koning en de koningin wonen in een ___.
- 14. Ga je mee op ___? Het wordt een spannende reis.
- 17. Op een boot slaap je in een ___.
- 20. Een dier met 2 bulten op de rug.
