Week 6

12345678910
Across
  1. 5. Opmerken.
  2. 7. Vallen over iets wat op de grond ligt.
  3. 9. Het tegenovergestelde van jonge.
  4. 10. Huizen van boeren.
Down
  1. 1. Versiering, bijvoorbeel van een sjaal.
  2. 2. Vliegende zoogdieren, die op de kop hangend slapen.
  3. 3. Een bevroren, witte bol, die je kunt gooien.
  4. 4. Als water ergens zacht overheen stroomt.
  5. 6. Heel vaak iets proberen.
  6. 8. Hokken met tralies.